Waarom het moment van castreren en steriliseren controversieel is geworden
Gedurende een groot deel van de twintigste eeuw was het standaardadvies in het Verenigd Koninkrijk en daarbuiten duidelijk: honden castreren of steriliseren rond de leeftijd van zes maanden, bij teven vóór de eerste loopsheid, als standaardprocedure. De voordelen — populatiebeheersing, het uitsluiten van voortplantingsziekten, gedragsverbeteringen — werden als vanzelfsprekend gepresenteerd en de risico's werden als minimaal beschouwd.
In de afgelopen tien jaar heeft een reeks onderzoeken — grotendeels afkomstig van de University of California, Davis — dit beeld aanzienlijk gecompliceerd. Studies naar de gezondheidsuitkomsten op lange termijn van gecastreerde en gesteriliseerde honden hebben aangetoond dat bij bepaalde rassen, met name grote en reuzenrassen, castratie of sterilisatie vóór het bereiken van skeletrijpheid samenhangt met een hoger percentage specifieke gewrichtsaandoeningen en bepaalde vormen van kanker. Deze bevindingen hebben geleid tot een herbeoordeling van het algemene beleid van vroege castratie en sterilisatie en tot een verschuiving naar geïndividualiseerde, rasspecifieke aanbevelingen.
Het UC Davis-onderzoek — wat er werd gevonden
De UC Davis-studies, geleid door professor Benjamin Hart en collega's, onderzochten de medische gegevens van duizenden honden van meerdere rassen, waarbij gecastreerde/gesteriliseerde en intacte dieren met elkaar werden vergeleken en werd gekeken naar de leeftijd waarop de ingreep plaatsvond. Uit het onderzoek bleek dat bij verschillende grote en reuzenrassen — waaronder Golden Retrievers, Labrador Retrievers, Duitse Herdershonden en Rottweilers — castratie of sterilisatie vóór de leeftijd van 12 maanden samenhing met significant verhoogde percentages van bepaalde vormen van kanker, waaronder lymfoom en mestceltumoren, en van gewrichtsaandoeningen zoals heupdysplasie, elleboogdysplasie en ruptuur van de voorste kruisband.
Men vermoedt dat het mechanisme te maken heeft met geslachtshormonen en hun rol bij de ontwikkeling van het bewegingsapparaat. Oestrogeen en testosteron beïnvloeden het moment waarop de groeischijven sluiten. Wanneer deze hormonen vroegtijdig worden weggenomen, blijven de groeischijven langer open, wat leidt tot subtiele veranderingen in ledemaatverhoudingen en gewrichtshoeken die predisponeren voor blessures en degeneratieve aandoeningen. Geslachtshormonen spelen ook een rol bij de immuunfunctie en de normale weefseldifferentiatie, wat de verbanden met kanker deels zou kunnen verklaren.
Van cruciaal belang is dat de effecten niet bij alle rassen hetzelfde waren. Bij kleine rassen was er veel minder verband tussen vroege castratie of sterilisatie en ongunstige gezondheidsuitkomsten. Bij sommige rassen was er helemaal geen significant verschil. Het onderzoek onderstreepte dat castratie en sterilisatie geen ingreep is die voor iedere hond hetzelfde uitpakt en dat ras, formaat en geslacht allemaal meewegen bij deze beslissing.
Richtlijnen van de RCVS en Britse dierenartsen
Het Royal College of Veterinary Surgeons (RCVS) en de British Small Animal Veterinary Association (BSAVA) zijn afgestapt van het aanbevelen van één vaste leeftijd voor castratie en sterilisatie en moedigen dierenartsen nu aan om met iedere eigenaar een individuele afweging van risico's en voordelen te bespreken. Deze verschuiving erkent dat de juiste beslissing afhangt van de specifieke hond — het ras, het geslacht, het formaat, het beoogde gebruik, de leefstijl en het vermogen van de eigenaar om verantwoord met een intact dier om te gaan.
Dit betekent dat consulten over castratie en sterilisatie nu een echt gesprek moeten zijn in plaats van een routinematige afhandeling. Eigenaren moeten zich vrij voelen om hun dierenarts te vragen naar het specifieke bewijs voor hun ras en om de beschikbare opties te verkennen. Een dierenarts die eenvoudigweg castratie of sterilisatie op zes maanden aanbeveelt zonder enige bespreking van rasspecifieke risico's, levert op zich geen verouderde zorg, maar de huidige best practice houdt een genuanceerdere benadering in.
Kleine rassen — vroeger castreren of steriliseren doorgaans veiliger
Bij kleine rassen en dwergrassen — doorgaans honden die als volwassene minder dan 10 kg wegen — wijst het bewijs erop dat de risico's op gewrichtsaandoeningen en kanker die samenhangen met vroege castratie of sterilisatie aanzienlijk lager zijn. Bij deze rassen blijft de traditionele aanbeveling om teven vóór de eerste loopsheid te steriliseren (doorgaans tussen vijf en zeven maanden) of reuen rond zes maanden te castreren in veel gevallen grotendeels passend.
Teven van kleine rassen hebben baat bij sterilisatie vóór hun eerste loopsheid wat betreft de preventie van melkkliertumoren — het risico op mammatumoren is aanzienlijk lager als de hond vóór haar eerste of tweede loopsheid wordt gesteriliseerd. Dit beschermende effect neemt af bij elke volgende loopsheid en is niet van toepassing op reuen.
Grote en reuzenrassen — later castreren of steriliseren aanbevolen
Bij grote rassen — honden die als volwassene meer dan 20 kg wegen — en met name bij reuzenrassen zoals Duitse Doggen, Ierse Wolfshonden en Berner Sennenhonden wordt tegenwoordig vaak aanbevolen om castratie of sterilisatie uit te stellen tot het skelet is uitgegroeid. Dat betekent doorgaans wachten tot een leeftijd van 12 tot 24 maanden, afhankelijk van het ras en het ontwikkelingstempo van de individuele hond.
Deze aanbeveling vereist dat eigenaren verantwoord omgaan met een intacte hond — het voorkomen van ongewenste dekkingen bij teven, het begeleiden van het gedrag van intacte reuen en het besef van het kleine maar reële risico op voortplantingsziekten zoals baarmoederontsteking (pyometra) bij intacte teven en prostaataandoeningen bij intacte reuen. Dit zijn geen geringe verantwoordelijkheden, en de beslissing om castratie of sterilisatie uit te stellen moet worden genomen met een helder begrip van wat dat inhoudt.
Gedragsmatige gevolgen van castratie en sterilisatie
Castratie en sterilisatie worden soms aanbevolen als oplossing voor ongewenst gedrag zoals zwerven, opbotsen en agressie tussen honden. Het bewijs hiervoor is genuanceerder dan vaak wordt voorgesteld. Castratie vermindert bij veel reuen het door testosteron gestuurde gedrag, maar lost aangeleerd gedrag of op angst gebaseerde agressie niet betrouwbaar op. Sommige onderzoeken suggereren dat gecastreerde en gesteriliseerde honden juist vaker angstgerelateerde agressie en angst vertonen dan intacte honden, hoewel de richting van het oorzakelijke verband niet altijd duidelijk is.
Castratie en sterilisatie is geen geschikte vervanging voor training en socialisatie. Als een hond aanzienlijke gedragsproblemen heeft, moet een verwijzing naar een klinisch diergedragsdeskundige — bij voorkeur een lid van de Association for the Study of Animal Behaviour of een Fellow van de Animal Behaviour and Training Council — worden overwogen naast elke bespreking over castratie of sterilisatie.
Alternatieven voor conventionele castratie en sterilisatie
Vasectomie bij reuen en een ovariumsparende sterilisatie (ook wel hysterectomie genoemd) bij teven zijn chirurgische alternatieven voor conventionele castratie en ovariohysterectomie. Bij deze ingrepen wordt het voortplantingsvermogen weggenomen terwijl de hormoonproducerende geslachtsklieren intact blijven. In theorie combineren ze de voordelen van populatiebeheersing met het behoud van de geslachtshormoonspiegels, waardoor de gezondheidsrisico's van vroege conventionele castratie of sterilisatie mogelijk kleiner worden.
Deze ingrepen zijn in het Verenigd Koninkrijk echter niet op grote schaal beschikbaar. Zeer weinig dierenartsenpraktijken bieden ze aan, en er zijn momenteel beperkte langetermijngegevens beschikbaar over Britse hondenpopulaties. Chemische castratie met een deslorelin-implantaat (Suprelorin) is een omkeerbare optie die in het Verenigd Koninkrijk beschikbaar is, waarmee het testosteron bij reuen tijdelijk wordt onderdrukt en die kan worden gebruikt om de gedragseffecten te beoordelen voordat men overgaat tot chirurgische castratie.
De beslissing nemen
Het juiste moment om uw hond te laten castreren of steriliseren — als u daar al voor kiest — hangt af van de specifieke omstandigheden. Bespreek met uw dierenarts het ras van uw hond, de verwachte volwassen grootte, de leefstijl en eventuele rasspecifieke gezondheidsgegevens. Vraag of uw dierenarts bekend is met het rasspecifieke onderzoek van UC Davis en wat hij of zij aanbeveelt voor honden van uw ras. Wees voorbereid op een genuanceerd gesprek in plaats van een simpel ja of nee, en laat u niet onder druk zetten tot een beslissing die niet goed voelt voor uw hond.
De wetenschap op dit gebied blijft zich ontwikkelen. Goed geïnformeerd blijven en een doorlopende dialoog met uw dierenarts onderhouden is de beste aanpak naarmate er nieuw bewijs beschikbaar komt.
